Historie kerken en predikanten
lllll

header3

Historie kerken en predikanten

Verhalen van vroeger

Enige dagen geleden kregen wij een mail van Ben Gritter.

Die schreef ons: 
 
In mijn familieboek heb ik een verhaal staan hoe ik als 6-jarig jongentje de kerkdienst in de gereformeerde kerk heb ervaren in 1952. Goede herinneringen heb ik aan de kerk in de Bouwstraat! In 1953 verhuisden we naar Goor.

Graag willen wij u zijn verhaal laten lezen;

 

6-9-2008 11-52-41 

s Zondags gaan de mensen naar de kerk, dat is de gewoonte, niemand ontbreekt. Complete gezinnen lopen met hun grote kinderschaar op naar Gods altaren. De meisjes hebben strikken in het haar. Talrijke boeren zijn van buiten de stad gekomen en hebben hun paard en rijtuig gestald tegenover hotel De Zon of ook wel bij bakkerij Wind. Langzaam treden ze voort naar de ingang der kerk. Daar gaan ze door de wijd openstaande deuren de hal binnen waar de trap naar boven is en een scheiding der geesten plaats vindt van hen die willen opstijgen en hen die vaste grond onder de voeten willen houden. In de kerk, die al bijna vol is, heerst een zacht geroezemoes. Er wordt niet gepraat, men fluistert alleen. Moeders verdelen pepermuntjes over de kinderen. De boeren in zwarte pakken hebben eerbiedig hun pet afgenomen en doen staande in de kerkbank een stil gebed. Hun vrouw in klederdracht en met wit kapje is al vast neergezegen.

Mijn plekje, en het is altijd hetzelfde plekje, is net onder het balkon en bij een pilaar, die het balkon ondersteunt. Links van me begint hoog in de toren de klok te zingen: ”Kom dan, kom dan, nog even.” Mooi hè. Zie de koster heen en weer lopen in zijn zwarte pak. Hij wijst de mensen een plaats en verdorie, hij trekt een klein bankje uit een grote en ik zit hier maar.            

  ‘k Waar liever in mijns Bondsgods woning een dorpelwachter
   dan gewend aan d’ijd’le vreugd in ’s boozen tent
Psalm 84 vers 5 deels

Ik moet altijd goed stil zitten, zo niet, dan knijpt mam me en wil je het wel laten. Annie kan ze niet hard knijpen, want die begint dan te brullen en mam houdt er ook niet van als alle ogen op haar gericht zijn. Wel kijk ik even, nou ja vrij lang, achterom naar al die mensen onder het balkon. Dat doet Antje ook, mond half open. Het geluid van de klok begint langzaam weg te sterven. “Kom, kom.” Wanneer? “Dan, dan.” Het orgel komt nu tot leven en strooit honingzoete klanken over de menigte. Dat dacht ik al want een poosje geleden schoof de organist daarboven voorzichtig een gordijntje opzij. Onder de grootste pijp gaat een geheimzinnig rood lampje aan: RHYTHMISCH.

Pap zegt dat het iets met het zingen van doen heeft. Was ik maar de organist. Daar komen de mannenbroeders door de linkerdeur (de ouderlingen) en door de rechterdeur (de diakenen) en scharen zich rondom de preekstoel met het prachtig paarse velours. Wat zit er achter de deuren? Voor me, juist boven de bankleuningen, zie ik een zee van wiebelende witte strikken. De dominee krijgt een ferme handdruk en dat is wel nodig want hij lijkt een zware last te dragen bij het beklimmen van de trap. Nu volgen afwisselend de gebeden en de psalmen en dat gaat nog wel, maar daarna komt de eindeloze preek, onderbroken door een psalm.
Flarden van lange, moeilijke zinnen waaien over me heen: Niets is hier blijvend, alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan. Ja, ja, eerst is het schoon, dan wordt het weer vies. Bij pap en mam hoef ik nooit na te vertellen waar het over ging, ik hoef alleen maar stil te zitten. Als ik dat doe dan kan ik me verder zo goed mogelijk vermaken. Kijk eens naar de donker- en lichtblauwe balken met de gouden biezen die boven allemaal bij elkaar komen, maar dat kan ik net niet zien.

6 9 2008 11 53 30 Tel alle pijpen van het orgel eens, kun jij dat? Ik raak altijd de tel kwijt. Wat zou de organist nu doen? Mooi is als het licht steeds verandert door de wolken en de wind. Het gekleurde glas-in-lood schittert in de zon. Ik kijk opzij, wat zit Antje uit te spoken? Ze zwaait met haar voeten heen en weer. Annie kijkt in haar mini psalmboekje. Zit natuurlijk het psalmversje voor morgen te leren. Mijn vriendje, Henkie, zit altijd boven op het balkon. Dat wil ik ook graag, maar het mag niet, ook niet één keer. Eindelijk draait de man daar in de verte er een eind aan, dat moet toch sneller kunnen? De mensen veren op, ze hebben natuurlijk zin in koffie.
Maar nou komen de collecten en we moeten het slotlied nog zingen. Ik gooi de dubbeltjes en stuivers in de zwarte zakken. Er zit heel wat in, zie ik. De gemeente zal op hele noten zingen want er brandt geen lampje. De psalm galmt door de kerk, ja de muren van Jericho zouden instorten van het geluid, maar ik zit in Ommen en misschien is het bij de Vecht wel te horen:

‘k Heb mijn tranen, onder ’t klagen tot mijn spijze dag en nacht
Daar mij spotters durven vragen
Waar is God dien gij verwacht?
En wat daar verder volgt in het tweede vers van psalm 42 

Dit was mooi, de broeders en zusters stortten zich met hart en ziel op het gezang als antwoord op de wijze woorden van onze voorganger. Ondertussen heeft de koster zich ongemerkt al bij de brede uitgangsdeuren opgesteld om na het verdwijnen van de kerkenraad de gelovigen zo snel mogelijk te lozen. Ik kom binnen door de smalle poort en verlaat de kerk door de wijde poort die naar het leven leidt en wel zo snel mogelijk. Alleen moet ik altijd wachten tot de rij voor me leeg is. De organist zet in en juichend klinkt de muziek door de kerk. “Toccata in Es, van Bach”, zegt iemand. Zo kom ik tot het licht en in de frisse buitenlucht op het knisperende grind, waar veel mensen praten met elkaar. De boeren spreken terloops en wijzend op de blauwe lucht over de wasdom van de rogge. Ik snel samen met Antje vooruit. Bij bakker Wind in de bocht is de stoep heel hoog, daar kan ik met een kort linkerbeen en een lang rechterbeen lopen. Het leven is bewegen.

6 9 2008 11 54 01

 

 

 

Volgende 8 diensten

Orde van dienst/Liturgie

Laatste kerkvensters